De lage waarden van de
bankbiljetten van de Javasche Bank uitgegeven bij muntzuivering van
1950 in Indonesië.
Hans P.
van Weeren
1.
Inleiding.
Op 19
maart 1950 werd bij
besluit van de minister van Financiën van de Republiek der Verenigde
Staten van
Indonesië (no. P.U. 1) een muntzuivering aangekondigd¹.
Alle in omloop zijnde munt-
en bankbiljetten met een nominale waarde van 5 gulden en hoger dienden
te
worden gehalveerd.
De linkerkant bleef
voorlopig in omloop tegen 50% van de waarde. Korte tijd later werden
deze
gehalveerde biljetten verwisseld tegen het nieuwe bankpapier van de
Javasche
Bank en muntpapier van de Republik Indonesia Serikat (RIS, de Republiek
van de
Verenigde Staten van Indonesië). De bij de muntzuivering in 1950 in
omloop gebrachte
serie van de Javasche Bank bestaat uit tien denominaties. De lage
waarden -
waarover dit artikel handelt - zijn de ½ rp (paars en groen), de 1 rp
(blauw en
geel) en de 2½ rp (rood en lichtgroen). Deze zijn gedateerd 1948
(Nederlands
Indië P 97 - 99¹). De overige waarden zijn de 5 rp (oranje), de 10 rp
(paars),
de 25 rp (groen), de 50 rp (blauw), de 100 rp (bruin), de 500 rp (rood)
en de
1000 rp (zwartgrijs), gedateerd 1946 (Nederlands Indië P 88, P 90, P
91, P 93 -
P 96). Deze laatste waarden zijn gedateerd 1946. De gelijktijdig in
omloop
gebrachte muntbiljetten van 5 rupiah (rood) en 10 rupiah (paars) met
als
landsaanduiding “Republik Indonesia Serikat” zijn gedateerd 1 januari
1950
(Indonesia P 36 – 37). De rechterzijde van de gehalveerde munt- en
bankbiljetten
kon worden verwisseld tegen een deelneming in de Staatslening 1950 van de Republiek Indonesië
die 3% rente bood.
Het bezit van de oude uitgiften van de Javasche Bank werd verboden. De
voor het
begin van de muntzuivering in omloop zijnde biljetten van 10 en 25 sen (emissie december
1947), 50 cent, 1
gulden en 2½ gulden bleven tegen de volle waarde geldig2.
2. De
lage waarden van
eerste serie van de Javasche Bank uitgegeven onder verantwoordelijkheid
van de
Republik Indonesia Serikat.
2.1.
Ontwerp en druk.
Hoewel de
Katalog Uang Kertas Indonesia 1782 – 20053
vermeldt dat ook de lage waarden van eerste serie van de Javasche Bank
uitgegeven onder verantwoordelijkheid van de Republik Indonesia Serikat
zijn
gedrukt door Joh. Enschedé is dat niet waarschijnlijk. Directeur Johan
Slinger
meldde recent dat zijn bedrijf de voor deze biljetten toegepaste nummerklokken nooit heeft
gebruikt. Wel is
het waarschijnlijk dat de ontwerpen, evenals die voor de hogere waarden
(10 –
1000 roepiah) die wel bij Joh. Enschedé zijn gedrukt, zijn gemaakt door
Samuel
Louis (Sem) Hartz (1912-1995).
Bolten citeert op pag. 121: “Op een vraag van mr d’Ailly wordt door
Enschedé
geantwoord dat de biljetten voor de Javasche Bank door de Heer Hartz
worden
ontworpen. Hij is een artistiek graveur, verbonden aan de drukkerij.”
(Voortgangsverslag ontwerp Roozendaal voor de ƒ 25 1947 (type Flora – P
81)
d.d. 4 juni 1946)4. Het moet hier gaan om wat
uiteindelijk werd de
noodemissie van 1947 (Nederlands Indië - 5 gulden violet en rood (P
87), 10
gulden groen (P 89) en 25 gulden rood (P 92), alle met de aanduiding
1946) en de
emissie 1946/1948 (die hierboven beschreven serie voor de
muntzuivering
van 1950) gaan. Dat
was de enige door de
Javasche Bank gegeven
opdracht. Gezien
de overeenkomst in stijl en belettering is het waarschijnlijk dat de
ontwerpen
allemaal van Sem Hartz en de studio van Joh. Enschedé zijn (afb. 1). De
nummerklokken met fractionele nummering (als A/1) zijn kenmerkend voor
de
Engelse drukker Thomas de la Rue. De La Rue
drukte in deze periode ook veel papiergeld voor Nederland (de 1 en 2½
gulden
1945, de 10 gulden 1945 II en 1949 en de 20 gulden 1945, overigens met
andere
nummerklokken – P 70-71, 75, 83 en 76) evenals de bovengenoemde
muntbiljetten
van 5 rupiah en 10 rupiah met de landsaanduiding “Republik Indonesia
Serikat”
(met hetzelfde type nummerklokken). Het ligt voor de hand dat de
productie van
de lagere waarden werd opgedragen aan De La Rue
omdat de eigen productiecapaciteit voor
papiergeld in Nederland in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog
nog
onvoldoende was.
2.2. Nummering.
De nummering van de ½ rp, de
1 rp en de 2½ rp van de emissie 1950 start met een vaste letter per
denominatie. Voor de ½ rp is dat een A, voor de 1 rp een B en voor de
2½ rp een
C. Er zijn per denominatie maximaal drie typen nummering te
onderscheiden:
½ rp A/fractie klein type
letter en klein cijfer (afb. 2)
½ rp A/fractie groot type
letter en groot cijfer (afb. 3)
½ rp AA-AB/fractie 2 x
middelgroot type letter en groot cijfer (afb. 4)
1 rp B/fractie klein type
letter en klein cijfer
1 rp B/fractie groot type
letter en groot cijfer
1 rp BB/fractie 2 x
middelgroot type letter en groot cijfer
2½ rp C/fractie klein type
letter en klein cijfer
2½ rp C/fractie groot type
letter en groot cijfer
Op basis van de
geobserveerde serienummers kan worden afgeleid dat de bovenstaande
opstelling
de volgorde van nummeren weergeeft. De specimens hebben het type
nummering met
een klein type letter en klein cijfer, gevolgd door zes nullen: A/1
000000, B/1
000000 en C/1 000000 (afb. 5). Aangenomen mag worden dat dit het eerst
gebruikte type nummering betreft. Voor de volgorde van de typen pleit
ook de
volgende opstelling van bekende serienummers.
½
rp A/fractie klein type
letter en klein cijfer
A/1
t.e.m. A/60
½ rp A/fractie groot type
letter en groot cijfer
A/61
t.e.m. A/99
½ rp AA-AB/fractie 2 x
middelgroot type letter en groot cijfer
AA7
t.e.m. AA/91 en AB/3
t.e.m. AB/10
1 rp B/fractie klein type
letter en klein cijfer
B/1
t.e.m. B/50
1 rp B/fractie groot type
letter en groot cijfer
B/59
t.e.m. B/99
1 rp BB/fractie 2 x
middelgroot type letter en groot cijfer
BB/6
t.e.m. BB/64
2½ rp C/fractie klein type
letter en klein cijfer
C/1
t.e.m. C/15
2½ rp C/fractie groot type
letter en groot cijfer
C/17
t.e.m. C/70
Het is mogelijk dat de
oorspronkelijk gekozen kleine fractienummering in het gebruik niet
voldeed
omdat de tekst erg klein was en in het gebruik moeilijk leesbaar bleek
te zijn
bij biljetten die in het gebruik gevouwen en vuil waren geworden.
Daarom heeft
men misschien de eerste serie van 1 t.e.m. 99 met 999.999 biljetten per
serie
afgemaakt met een groter type letter en cijfer. Nadat de eerste 99
series vol
waren startte met een dubbele letter voor de volgende 99 series. Bij de
½ rp is
nog een derde serie gestart met als letters AB.
2.3.
Oplage.
Indien de
hierboven
veronderstelde systematiek juist is en de niet geobserveerde nummers
logisch
worden ingevuld, dan kan de minimale oplage van deze serie als volgt
worden
geschat:
½
rp A/1
t.e.m. A/99
98.999.901
½ rp
AA1
t.e.m. AA/99
98.999.901
½ rp
AB/1 t.e.m. AB/10
9.999.990
Totaal
208.999.792
1 rp
B/1 t.e.m.
B/99
98.999.901
1 rp
BB/1 t.e.m. B/64
63.999.936
Totaal
162.999.837
2½ rp
C/1
t.e.m. C/70
69.999.930
2.4. Vervalsingen.
Naast
gedrukte vervalsingen
(afb. 6) treft men bij deze serie ook vervalsingen aan die geheel met
de hand
met kleurpotlood zijn nagetekend (afb. 7 en 8).
2.5.
Intrekking.
De ½ rp,
de 1 rp en de 2½ rp
van de emissie 1950 zijn ingetrokken per 1 juli 1958, later verruimd
tot 31
december 1958. De biljetten konden nog tot 29 juni 1989 worden
verwisseld bij
de Bank Indonesia, de rechtsopvolger van de Javasche Bank.
De
auteur stelt reacties op prijs. Hij kan via e-mail worden bereikt: hans@vanweeren.nl.com.
Speciale
dank voor informatie m.b.t. dit artikel aan de heer J.J. Slinger RA,
tegenwoordig commissaris van Joh. Enschedé.
Afbeeldingen:
1. Proef 1 rp van de emissie 1950
2. Specimens van ½ rp, de 1 rp en
de 2½ rp van de emissie 1950
3. De drie verschillende typen
serienummers van de emissie 1950
4. Gedrukte vervalsing van de 2½ rp
van de emissie 1950
5. Getekende vervalsingen van de 1
en 2½ rp van de emissie 1950
De
noten in tekst verwijzen naar de onderstaande documentatie:
1. Shafer & George S.
Cuhaj. Neil, Standard Catalog of World
Paper Money Volume Two – General Issues 1368 - 1960, Iola,
200310
2. Javasche Bank/Bank
Indonesia, Jaarverslagen v.a. 1828
3.
Handjaja, Sugiana, Katalog Uang Kertas Indonesia
1782
– 2005, s.l. (Jakarata), s.a. (2005²)
4.
Bolten, Jaap, Het Nederlandse Bankbiljet 1814
– 2002. Vormgeving en ontwikkeling, Amsterdam, 1999²