Koersverhouding
tussen de Nederlandse en de Nederlands-Indische gulden 1940-1950
Hans P. van Weeren
Wat
de koersverhouding tussen de Nederlandse en de Nederlands-Indische
gulden betreft geldt dat er officieel voor, tijdens en na de oorlog
pariteit bestond, de guldens waren even veel waard. Wel deed de
Indische gulden in Nederlands-Indië meestal een disagio van een paar
procent in verband met de kosten van overmaking naar het buitenland,
waaronder Nederland.
Door de strenge deviezenmaatregelen na de
oorlog, tot diep in de jaren zestig, was er overigens geen vrij
betalingsverkeer meer na 1945, ook niet van na de
muntzuiveringen
(in Nederland in september 1945 en in Indoensië in maart 1950)
vrijgegeven tegoeden.
De Indische gulden volgde de Nederlandse gulden
bij de devaluaties in 1946 en 1949 waardoor de pariteit in stand bleef.
Bij de laatste devaluatie werd door de regering van Indonesië expliciet
besloten aan de pariverhouding tussen de Indonesische en de Nederlandse
gulden vast te houden. Er heeft zich overigens begin 1946 een korte
periode voorgedaan waarin de Indische gulden in Nederland ƒ 1,40
noteerde.
In maart 1950 devalueerde de Indonesische rupiah de facto
(door een ingewikkeld stelsel van deviezenvergunningen) tot een
verhouding 1:3 ten opzichte van de Nederlandse gulden, vlak voor de
muntsanering in Indonesië.
In Nederlands Nieuw Guinea werd in 1950
de Nieuw Guinea gulden in omloop gebracht die tot aan de overdracht van
het gebied als Irian Baraat aan Indonesië in 1963 eveneens een pariteit
kende met de Nederlandse gulden.
Nadere informatie wordt door Hans P. van Weeren op prijs gesteld via
e-mail: hans@vanweeren.nl.com
Bron:
Jaarverslagen Javasche Bank 1941-47; 1947-49; 1949-50 en 1950-51.